Actueel / Nieuws

Industrieel bouwen vraagt ruimtelijke kwaliteit

Industriële en fabrieksmatige bouw vraagt om een zoektocht naar kwaliteit, van processen, materiaal (biobased en natuurinclusief), de plek, het landschap en de context. “De opgave moet niet enkel over aantallen gaan maar over mensen, prettige buurten en toekomstbestendige wijken. Ik herken me daarom in het pleidooi van Frits Palmboom om bij de fabrieksmatig vervaardigde woningbouw niet alleen te letten op kwantiteit, kosten en snelheid, maar juist ook op een zo hoog mogelijke ruimtelijke kwaliteit. Goed samenwerken is daarbij essentieel.” aldus BNA-voorzitter Jolijn Valk tijdens een recente bijeenkomst over kwaliteit bij industrieel bouwen van het College van Rijksadviseurs en de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit, in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken in Den Haag.

Om de woningbouwproductie te realiseren, met het tekort aan bouwvakkers en duurzaamheidsuitdagingen en de stijgende kosten van de bouw van woningen, zijn innovaties in de bouwsector noodzakelijk. We staan in vergelijking met de twintigste eeuw nu voor nieuwe stedenbouwkundige uitdagingen. De huidige bouwopgave moet voor een groot deel in de bestaande stad plaatsvinden. Het lege weiland zal eerder uitzondering dan regel zijn. De bouwopgave draait nu om differentiatie en verdichting, dus om het mengen van typen en categorieën.

De huidige opgave vraagt om een goede samenwerking tussen ontwerper en producent/fabrikant door in te spelen op locatie-specifieke eigenschappen (stedenbouwkundig plan en landschap), het creëren van ruimte voor ontmoeting, het toepassen van meer biobased materialen, duurzaam bouwen en het onderzoeken van variatie in typologie en plastiek in de gevel. In dit proces spelen nieuwe vormen van samenwerking, verbinding en het inzetten van ontwerpers een belangrijke rol.

‘Ruimtelijk ontwerpers, opdrachtgevers en bouwers kunnen de handen nog meer ineenslaan om ruimtelijke kwaliteit samen goed te borgen. Jolijn Valk’

Frits Palmboom hanteert een stedenbouwkundig kader voor ruimtelijke kwaliteit bij fabrieksmatige woningbouw. Zowel stedenbouw als woningbouw hebben een belangrijke missie die verder gaat dan het bieden van onderdak; het zijn bouwstenen voor een samenleving en voor het bouwen aan een mooie stad voor iedereen. Wanneer je aan een stad bouwt, zo stelt Palmboom, gaat het over het maken van een plek voor iedereen en niet alleen voor de woonconsument afzonderlijk. Het is belangrijk om daarbij de trotse traditie die Nederland heeft op het gebied van bouwkunst, stedenbouwkundig ontwerp, vakmanschap en maatwerk in de stad te koesteren.

Positief is het belang van intelligente standaardisatie, simpele en zorgvuldige bouwstenen ontworpen met mooie combinaties van elementen en met oog voor samenhang en stadsbeeld; Negatief het spookbeeld van de schraalheid, dictaat van de productiewijze, te grove bouwstenen met eenzijdigheid en inflexibiliteit als resultaat. Palmboom benoemt een aantal nieuwe stedenbouwkundige uitdagingen. Zoals de opgave bouwen in de bestaande stad: de transformatie van naoorlogse wijken, van oude arbeidersdorpen en van de ‘stad zonder stedenbouw’. En het ontwerpvraagstuk omtrent differentiatie en verdichting: het mengen van types, het mixen van koop-huur-sociaal-midden-duur en het combineren van eengezinswoningen, gestapelde bouw en flexwoningen.

Ook voor fabrieksmatige woningbouw is het inspelen op onregelmatigheden van het stadsweefsel een belangrijke stedenbouwkundige randvoorwaarde. Elk project heeft te maken met afwijkingen; een stompe hoek, afsnijding, knik of bocht in het stedelijk weefsel. Ook voor de fabriekswoningen geldt dat de relatie tussen gebouw en openbare ruimte dient te worden vormgegeven. In plaats van louter gladde dozen gaat stedenbouw over driedimensionaliteit, ritme, plastiek en reliëf. Straten worden over het algemeen overhoeks geregistreerd.

Palmboom stelt met twee belangrijke vragen: biedt de soepelheid van het systeem voldoende mogelijkheid tot maatwerk op locatie? En: hoe organiseer je samenspel tussen programma, ontwerpen en bouwen? Hij benoemt daarbij het belang van stedenbouwkundige prestatie-eisen, zoals het belang van gezamenlijk door-ontwikkelen, innovatie, onderzoek en testen, de inzet van ontwerp-expertise zowel intern als extern, het gevaar van maximale ontzorgen en het belang van aanspreekbaar publiek opdrachtgeverschap en de rol van een kwaliteitskader.

Dit verslag verscheen eerder op www.ruimtelijkekwaliteit.nl